Zorg en Sociale Zekerheid in 2018

In afwachting van de uitkomsten van de formatiebesprekingen had Nederland dit jaar een ‘beleidsarme’ Prinsjesdag. Toch kondigde het demissionaire kabinet Rutte II voor 2018 nog nieuwe maatregelen aan. Op 10 oktober 2017 is het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ van VVD, CDA, D66 en Christenunie gepresenteerd. Wij hebben de belangrijkste ambities en maatregelen van de zorg en sociale zekerheid voor u op een rij gezet.

Zorg algemeen

1. Het zorgverzekeringsstelsel

Het huidige stelsel met private zorgaanbieders en -verzekeraars onder publieke randvoorwaarden blijft in stand. Maar wordt waar nodig verbeterd. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen:
  • De inspraak van verzekerden, patiënten en cliënten op het beleid van zorgverzekeraars en zorgaanbieders wordt wettelijk vastgelegd.
  • Het kabinet treedt in overleg met de initiatiefnemers van de Wet Verbod op winstuitkering door zorgverzekeraars. Dit overleg is er om op de lange termijn te borgen dat geld, dat bedoeld is voor zorg, ook echt besteed wordt aan zorg.
  • Het mededingingstoezicht moet rekening houden met verschillen in machtsverhouding. Als de samenwerking negatief uitpakt in het belang van patiënten, worden de regels aangepast.
  • Extra middelen (55 miljoen euro in deze kabinetsperiode, daarna 10 miljoen per jaar) zijn beschikbaar voor onafhankelijke cliëntondersteuning. Deze ondersteuning helpt de cliënt op weg op verschillende levensgebieden, waaronder maatschappelijke ondersteuning, zorg, inkomen en werk).
  • Het persoonsgebonden budget (PGB) blijft bestaan in alle zorgwetten.

2. Preventie, ook op de werkvloer

  • Er wordt een nationaal preventieakkoord gesloten met patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en -bonden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De focus ligt op de aanpak van roken en overgewicht.
  • Deze kabinetsperiode is er voor preventie en gezondheidsbevordering 170 miljoen euro beschikbaar, daarna 20 miljoen per jaar.
  • Effectieve interventies krijgen een plek in medische opleidingen en richtlijnen. Op de plekken waar kennis over effectiviteit nog ontbreekt, wordt aanvullend onderzoek gedaan.

3. Het aantal polissen

Er komt een onderzoek naar de vraag of zorgverzekeringspolissen meer transparant en meer standaard kunnen worden. En hoe dit gerealiseerd kan worden. Ook wordt onderzocht of er voorkomen kan worden dat verzekeraars dezelfde polissen tegen verschillende prijzen aanbieden.

4. De budgetpolis

Hoewel budgetpolissen aansluiten bij de wensen van verzekerden, kunnen zij een negatief effect hebben op de solidariteit van het zorgverzekeringsstelsel. Het kabinet gaat onderzoeken of het nodig is maatregelen te treffen om deze negatieve effecten tegen te gaan.

5. Eigen risico en eigen bijdrage(n)

  • De hoogte van het verplicht eigen risico blijft deze kabinetsperiode vaststaan op € 385,- per jaar. De indexatie wordt tot en met 2021 buiten werking gesteld. Het niet verhogen van het eigen risico leidt tot hogere zorgpremies.
  • De bijbetalingen in het Geneesmiddelenvergoedingssysteem worden voor deze kabinetsperiode in 2019 gemaximeerd op € 250,- euro per jaar per verzekerde.
  • Voor huishoudens die gebruikmaken van de Wmo-voorzieningen komt er een abonnementstarief van € 17,50 per vier weken. Er blijft ruimte voor gemeenten om lagere eigen bijdragen vast te stellen, bijvoorbeeld bij mantelzorg. Hiervoor is 145 miljoen euro beschikbaar.
  • De huidige anti-cumulatie regeling blijft bestaan: als een huishouden al een eigen bijdrage betaalt voor Wlz-zorg, dan betaalt het geen eigen bijdrage voor een Wmo-maatwerkvoorziening.
  • Ook de eigen bijdragen voor Wlz-zorg en beschermd wonen (Wmo) worden verlaagd. De vermogensinkomensbijtelling voor de eigen bijdragen in de Wlz wordt gehalveerd naar 4%. Ook het tarief van de lage eigen betaling wordt verlaagd. Wel gaan nieuwe cliënten (intramuraal) de hoge eigen bijdrage na 4 in plaats van 6 maanden betalen.

6. De curatieve zorg

  • In 2019 tot 2022 worden er opnieuw akkoorden op hoofdlijnen gesloten over medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wijkverpleging. Samen brengt dit een totaal bedrag op van 1,9 miljard euro per jaar. Als de uitgaven onverwacht hoger uitvallen, dan grijpt de overheid in.
  • Het kabinet zet in op de beweging van meer zorg van de 2e naar de 1e lijn. Bijvoorbeeld van het ziekenhuis naar de huisarts. En op het voorkomen van onnodige zorg.
  • Het belang van zorgprofessionals moet gericht zijn op de uitkomst van de zorg in plaats van op omzet. Dit vraagt om een stevige inzet op het ontwikkelen van uitkomstindicatoren. De indicator die informatie geeft over de uitkomst (effectiviteit) van de geleverde zorg.
  • De overheid gaat stimuleren dat medisch specialisten de stap maken naar het participatiemodel of naar loondienst.
  • In 2019 zal er een besparing van ruim 460 miljoen euro per jaar op het terrein van genees- en hulpmiddelen moeten komen. Scherpere inkoop en een herberekening van het Geneesmiddelenvergoedingssysteem moeten hiertoe leiden. Nieuwe kostbare geneesmiddelen komen niet meer automatisch in het pakket, maar eerst in een ‘sluis’, zodat er ruimte blijft voor onderhandelingen met farmaceutische bedrijven.
  • Er komen extra middelen beschikbaar voor (een betere organisatie van) palliatieve zorg.
  • De subsidie voor de niet-invasieve prenatale test (NIPT) blijft beschikbaar en komt niet in het basispakket.
  • Als blijkt dat de lopende afspraken om wachtlijsten in de GGZ te verkorten niet in alle regio’s werken, dan grijpt de overheid in. Binnen de bestaande budgettaire kaders werkt de overheid in overleg met de verzekeraars en de GGZ-sector aan betere stroomlijning van de geestelijke gezondheidszorg, zodat patiënten minder vaak hoeven te worden opgenomen in een instelling.

7. De kwaliteit van zorg

  • Het (meerjarige) contract tussen zorgaanbieders en verzekeraars is de basis voor afspraken over prijs, kwaliteit en zorgverlening.
  • Niet alleen de prijs, maar ook de kwaliteit moet centraal staan bij de zorginkoop. Zorgaanbieders en verzekeraars moeten verzekerden makkelijker inzicht geven in de kwaliteit van het zorgaanbod. Maar ook in de ingekochte zorg per polis. Verder wordt de transparantie van de prijzen in de zorg stapsgewijs vergroot.
  • Er komt een onderzoek op welke wijze het verschil tussen gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg verklaard en versterkt kan worden.
  • Het Zorginstituut bevordert overleg tussen patiënt en zorgverleners over de behandeling. Daarom krijgt de gezamenlijke beslissing van patiënt en zorgverleners over de behandeling een plek in de medische richtlijnen.

5. De langdurige zorg

  • Er is jaarlijks 2,1 miljard euro extra beschikbaar om te voldoen aan de nieuwe normen voor goede verpleeghuiszorg .
  • Er is 180 miljoen euro in deze kabinetsperiode voor de aanpak van knelpunten in de langdurige zorg. Dit is op basis van een evaluatie WMO en de uitvoering van het manifest “Waardig ouder worden”. Na deze kabinetsperiode gaat het om 30 miljoen euro per jaar.
  • Er komen afspraken met gemeenten over ondersteuning van mantelzorgers, zoals respijtzorg en dagopvang.
  • De uitvoering van de agenda voor de arbeidsmarkt wordt uitgevoerd. Dit moet ervoor zorgen dat er nu en in de toekomst voldoende goed opgeleide zorgprofessionals beschikbaar zijn.
  • De inzet op kwaliteitsverbetering vraagt ook om een andere manier van werken en organiseren: kleinschalig, vraaggericht, innovatief, met minder regels en meer vertrouwen in de zorgprofessionals. Bestuurders van verpleeghuizen en andere zorginstellingen worden daarop beoordeeld.
  • Om het schaarse personeel in de zorg optimaal te benutten is de wens er om digitaal ondersteunde zorg gericht in te zetten. En om de verspreiding van innovatieve werkwijzen (e-health) te bevorderen. Zo komt er meer zorg en aandacht voor cliënten en patiënten, Deze kabinetsperiode is hiervoor 40 miljoen euro beschikbaar, daarna 5 miljoen per jaar.

Sociale Zekerheid

1. Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid

  • De loondoorbetalingsperiode voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) wordt verkort van 2 naar 1 jaar. De verantwoordelijkheid voor loondoorbetaling en een aantal re-integratieverplichtingen in dat jaar gaan over naar het UWV. De ontslagbescherming van 2 jaar blijft in stand. De collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een uniforme werkgeverspremie.
  • De periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA, verkort van 10 naar 5 jaar. Na de periode van premiedifferentiatie komt er een collectieve, uniforme premie.
  • In aanvulling op de lopende pilots met een no-riskpolis, zet het kabinet ook in op specifieke re-integratie en het voorkomen van uitval door het vergroten van kennis bij werkgevers en artsen.
  • Voor personen die in de WIA zitten, wordt het aantrekkelijker om te gaan werken. In de eerste 5 jaar na het aangaan van een baan, zal niet worden getoetst of het verdienvermogen van de werkhervatter is gewijzigd. Het aangaan van werk leidt hierdoor niet tot onzekerheid over het mogelijke verlies van het recht op de uitkering (in geval van baanverlies).
  • Voor personen die in de toekomst instromen in de WIA, wordt scherper gekeken naar geschikt werk bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
  • Voor nieuwe instroom in de WGA 80-100 (mensen met restverdiencapaciteit tussen 1% en 20%) wordt de prikkel richting werk versterkt. Voor het recht op de loonaanvullingsuitkering gaat de eis gelden om 50% van de resterende verdiencapaciteit te benutten.
  • Het recht op arbeidskorting en Inkomensafhankelijke Combinatiekorting (IACK) wordt afgeschaft voor nieuwe Ziektewet-gerechtigden zonder werkgever. In de WW bestaan deze faciliteiten niet, waardoor WW-ers een substantiële stijging van hun inkomen ervaren als zij zich ziek melden.

2. De balans op de arbeidsmarkt

Het in dienst hebben van personeel geeft risico’s en kosten voor werkgevers. De vele regels leiden tot terughoudendheid bij werkgevers om personeel in dienst te nemen. Of een contract voor onbepaalde tijd aan te bieden. Het kabinet wil verandering brengen in deze trend.

  • Introductie van een cumulatiegrond in het ontslagrecht: Werkgevers krijgen meer mogelijkheden om over te gaan tot ontslag als er sprake is van meerdere problemen, die ieder op zich onvoldoende grond voor ontslag zouden opleveren. Bijvoorbeeld verwijtbaar handelen gecombineerd met slecht functioneren en een verstoorde arbeidsrelatie. In deze gevallen kan de rechter voortaan bepalen dat ontslag gerechtvaardigd is. Hier staat tegenover dat de rechter een hogere transitievergoeding kan toekennen.
  • Meer balans in de transitievergoeding: Werknemers krijgen vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding in plaats van na 2 jaar. Daarnaast gaat voor elk jaar in dienstverband de transitievergoeding een derde maandsalaris bedragen, ook voor contractduren langer dan 10 jaar. De overgangsregeling voor 50-plussers wordt gehandhaafd.
  • Tijdelijke contracten voor tijdelijk werk: Voor opeenvolgende contracten blijft het uitgangspunt dat ‘de teller op nul gaat’ bij een tussenpauze van 6 maanden, maar de mogelijkheden om deze termijn te verlengen naar maximaal 9 maanden worden verruimd. Ook de mogelijkheden voor een langere proeftijd worden verruimd. De periode waarna opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd wordt verlengd van 2 naar 3 jaar.
  • Premiedifferentiatie in WW: Tijdelijke contracten krijgen een hoger premiepercentage toegerekend dan contracten voor onbepaalde tijd.

3. Werken als zelfstandige

  • Voor zzp-ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst. Of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Er wordt één tarief gekozen (tussen de € 15,- en € 18,- per uur) om voor de gehele markt de onderkant af te bakenen. Een langere duur geldt bij langer dan drie maanden.
  • Aan de bovenkant van de markt wordt aangenomen dat er sprake is van een overeenkomst tot opdracht. Zodat er geen inhoudings- en premieplicht is. Dit is aan de orde bij een hoog tarief (> € 75,- per uur) in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst (< 1 jaar). Of bij een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.
  • Voor de tussencategorie wordt een ‘opdrachtgeversverklaring’ ingevoerd. Deze geeft opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid bij de inhuur van zelfstandig ondernemers. Opdrachtgevers verkrijgen deze verklaring via het invullen van een webmodule.
  • Er komt geen verzekeringsplicht voor arbeidsongeschiktheid. Het kabinet gaat in overleg met inkomensverzekeraars om de verzekeringsgraad voor arbeidsongeschiktheid te verhogen.
  • Er komt geen aanpassing van de zelfstandigenaftrek en verplichte pensioenopbouw.

4. Langer doorwerken

Het is de primaire verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers dat werknemers inzetbaar blijven. De overheid zorgt voor de noodzakelijke randvoorwaarden.

  • Het kabinet wil de fiscale aftrekpost voor scholingskosten vervangen door een individuele leerrekening voor alle Nederlanders die een startkwalificatie hebben gehaald. Met sociale partners en onderwijsinstellingen worden afspraken gemaakt over hun bijdrage.
  • De mogelijkheden voor werkgevers worden verruimd om investeringskosten in de inzetbaarheid van werknemers binnen de eigen organisatie in mindering te brengen op de transitievergoeding.
  • Het kabinet verwacht van sociale partners dat ze geen vrijblijvende afspraken maken over scholing, intersectorale mobiliteit, zicht op minder belastend werk en de nut en noodzaak van specifieke voorzieningen voor ouderen in cao’s.
  • Voor de oudere werknemers die ondanks inspanningen van werkgevers en werknemers toch werkloos of arbeidsongeschikt worden, wordt de Wet Inkomensvoorziening voor oudere werklozen (IOW) verlengd met 4 jaar. Deze werknemers hoeven na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner ‘op te eten’.
  • Het kabinet investeert 40 miljoen euro per jaar extra persoonlijke begeleiding door het UWV van werkzoekenden in de WW.

5. De uitbreiding van verlofregelingen

  • Het huidige kraamverlof geeft partners na de bevalling het recht op 2 dagen verlof. Het verlof is op te nemen binnen 4 weken, waarbij werkgevers het volledige loon doorbetalen. Dit wordt per 1 januari 2019 verlengd naar 5 dagen.
  • Daarbovenop krijgen partners aanvullend kraamverlof van 5 weken per 1 juli 2020. Dit verlof dient te worden opgenomen in het eerste half jaar na geboorte. Tijdens het verlof ontvangt de werknemer een uitkering van 70% van het (maximum) dagloon.
  • Tevens wordt de huidige regeling voor adoptieverlof verruimd met 2 weken naar 6 weken. Deze uitbreiding geldt ook voor pleegouders.

Gerelateerd Nieuws

GezondheidsbeleidPrinsjesdag 2018: De plannen van het kabinet voor volgend jaar zijn bekend

Prinsjesdag 2018: De plannen van het kabinet voor volgend jaar zijn bekend

Wat moet zakelijk Nederland weten als het over zorg, sociale zekerheid, arbeidsparticipatie en werk-privé balans gaat?

GezondheidsbeleidOok uw medewerker krijgt meer inzicht in de zorg met de Zorgverkenner

Ook uw medewerker krijgt meer inzicht in de zorg met de Zorgverkenner

Onze Zorgverkenner en Zorgcoaches helpen onze verzekerden op weg. Met de Zorgverkenner weet u of u ergens anders sneller terechtkunt. Wat er wordt vergoed en wat u eventueel aan eigen risico betaalt.

GezondheidsbeleidOnderverzekerd op reis? Liever niet.

Onderverzekerd op reis? Liever niet.

Onderverzekerd op reis is onverstandig. Hoe de medische kosten op reis worden gedekt in de basisverzekering, aanvullende verzekering en reisverzekering.

Lees meer
Zilveren Kruis is onderdeel van Achmea